WULPEN
Hoofdstuk 1: het ontstaan.

1.1. In de nevel der tijden.
Wulpi in 961, later Vulpan, Wulpis in 1089, "Wulpen" wordt als parochie in 1135 vermeld.  Het patroonschap van de kerk werd toen aan de abt van de St.-Niklaasabdij geschonken.

Woonplaats aan de over van een golf, oord waar vissers verblijven.  Een lage ongezonde streek met af en toe opduikende koortsen als zeestier, noorderziekte, ...

In de 11e eeuw (1030-1050) werd een zeedijk gebouwd.   Door de aanleg van de dijk bleef het land van nieuwe overstromingen gespaard.  Deze beschermde de nederzetting tegen uitbreiding van de overstroming genoemd Duinkerkse transgressie-III.  Het tracé "Oude Zeedijk" tekent zich nog in het landschap af en kronkelt van Oostduinkerke over Wulpen, Avekapelle, Zoutenaaie, Oudekapelle naar fort Knokke aan de IJzer ter hoogte van Merkem.

1.2. Wulpen heeft waarschijnlijk zijn naam ontleed aan :

    - WULP,  soort watervogel, die vroeger,  op onze moerassige kust,  zeer talrijk aanwezig was. Zeker is, dat de Noordzee langs de westzijde van Wulpen een kreek of bocht gevormd heeft.  De kreek werd gevormd door de Tweede Duinkerkse transgressie (4de-8ste eeuw),  vandaar de dorre zandplaat die hedendaags het grondgebied van de westhoek uitmaakt.

    - Volgens etymologen of taalkundigen is WULPEN, Gulpen of Golpen een Saksisch woord, wat betekent : een dorp of woonplaats op de over van een zeeinsprong.  Wulpen lag vroeger op een verslijkte zeeinsprong van Diksmuide.  Zo men vanuit zee het land invaart was Wulpen het eerste dorp dat men tegen kwam.
Dit bewijst dat Wulpen zijn naam te danken heeft aan de ligging tegen het water.

Wulpen ligt hedendaags op vier kilometer van de Noordzee; bijna halfweg tussen Nieuwpoort en Veurne.  Het kanaal, in 1640 gegraven, doorsnijdt het dorp van ZW naar NO.  Twee kleine kanalen, het Lange Leed en de Bommelaere, leiden de binnenwaters naar de zee.  De grond ligt slechts 2,5m boven de zeespiegel.

Hoofdstuk 2: Willibrorduskapel - "'t putje".

2.1. Willibrordus.

Willibrordus werd geboren in 658 in Northumbrië (Engeland).  Zijn adellijke ouders heetten Wilgis (vader) en  Mena (moeder), twee heel christelijke mensen.  Willibrordus werd opgevoed in de abdij van Ripon.  Als twintigjarige jongeman trok hij naar Ierland, en trad toe in het klooster van Rathmelsing.  Op 30 jarige  leeftijd werd hij priester gewijd. Dat was voor hem het begin om de Blijde Boodschap in andere landen te verkondigen.

Willibrordus verliet de eenzaamheid, scheepte samen met elf kloosterbroeders in en kwam in 690 aan land in Kantwijk (Holland).  Hij bezocht Utrecht en trachtte de gunst te winnen van de heidense koning Radbot. Vandaar reisde hij door naar Friesland.

Enige tijd daarna vertrok Willibrordus naar Rome om de zegen over zijn zending te krijgen.  Een reis naar Rome was toen zeer lastig en gevaarlijk.  Men moest gewoonlijk de weg te voet afleggen, dwars door de woeste of onbevolkte gebieden, over moerassen, door dichte bossen, over bergen en dalen.  Nadien keerde hij terug naar Utrecht en werkte met onvermoeibare ijver aan de zaligmaking van zijn zielen.

In 695 ging Willibrordus, op aanraden van hofmeier Pepin van Herstal, een tweede maal naar de eeuwige stad in Italië en ontving er de bisschoppelijke zegen van paus Sergius.  Hij kreeg het pallium, een aan de paus en aartsbisschoppen voorbehouden symbool van hun herdersambt, in de vorm van een wollen band die over de schouders wordt gedragen.  D.w.z. dat de paus hem volmacht gaf als metropoliet andere bisschoppen aan te stellen.
Bij zijn terugkeer naar zijn missie in Friesland zou de heilige man naar Wulpen gekomen zijn.  Een overlevering stelt vast dat hij hier, in het voorbijgaan, zijn pelgrimsstok in de grond stak en dat er aanstonds een bron van helder water ontsprong, dat tot heden als behoedsmiddel tegen alle brandende ziekten gebruikt wordt.  Wat er ook van zij, die put bestaat nog altijd en wordt het "Willibrordusputje" genoemd.

Na talrijke missiereizen, door heel Europa stierf Willibrordus op 7 november 739 in zijn klooster aan de Sauer in Echternach (G. H. Luxemburg).  Hij werd in de door hem gebouwde kerk bijgezet en al spoedig als heilig vereerd.  Wegens de grote toeloop van pelgrims  moest omstreeks 800 een nieuw godshuis met crypte worden gebouwd.

2.2. Kapel - 't putje.

In de 17de eeuw was het geloof nog sterk dat het water van het Sint-Willibrordusputje koortsen en pest weerde.  Nu is er jaarlijks nog op pinkstermaandag de bedevaart tussen de velden naar de kapel bij het putje.  Om 9.30 uur verzamelen de bedevaarders in de kerk en om 10.00 uur is er een eucharistieviering bij de kapel.

Op de kapel staat nog altijd:

"Willibrordus vriendt der Heeren
Vader van ons nederlandt
Wilt van uwe dienaers keeren
korssen, pest en heeten brandt".

Hoofdstuk 3: Garenbertus.

3.1. De gelukzalige abt Garenbertus.

In het jaar 1084 werd uit het huwelijk van Baldranus met Ragenilde een zoon te Wulpen geboren Garenbertus, ook gekend onder de naam Walembertus.  In die tijd had men nog geen familienaam.  Hij ontving van zijn ouders een zeer christelijke opvoeding en hij begaf zich naar de kanunniken van St.-Walburga te Veurne en verbleef er enige tijd.

Op een nacht had hij een visioen.  Hij droomde dat hij vleugels had en hoorde duidelijk een stem uit de hemel die hem aanmaande naar Boëni (Bony) in Frankrijk te vliegen.  Toen hij 22 jaar oud was wilde hij zijn droom waarmaken en trok in het  geheim naar Kamerijk (Frankrijk), waar hij als knecht dienst deed gedurende vier jaar.  Daarna begaf hij zich naar Saint-Quentin waar hij terecht kwam bij twee broeders: Oylard en Baudouin.

Oylard beloonde zijn trouwe dienaar en gaf hem het bos van Boëni om er als kluizenaar te leven, wat sedert lang het vurigste verlangen was van Garenbertus.  Eenzaam was hij daar niet lang en verscheidene mensen voegden zich bij hem om de Heer te dienen.  Hij bouwde er een kerk en werd tot priester gewijd door Burchard, bisschop van Kamerijk.  Hij had toen de leeftijd van 30 jaar.  De bisschop Lietard stelde hem aan tot abt van deze nieuwe kloostergemeenschap, die de regel van St-Augustinus volgde. Het aantal volgelingen groeide gestadig en hij stichtte een nieuw klooster op een half uur stappen van Mont-Saint-Martin (Laon).
Vandaar de naam  van de abdij in dewelke Garenbertus de regel van Premonstreit  volgde.

Garenbertus overleed op 31 december 1141. Naar het schijnt zijn er verschillende mirakels gebeurd op zijn graf. Garenbertus heeft gedurende zijn leven vele mensen gered uit ‘s werelds wellust om zich te begeven tot de goddelijke dienst.  O.a. zijn zuster Raganildis, ook in Wulpen geboren,  heeft zich aangesloten bij de kloosterorde van Mont-Saint-Martin.   Zij is ook zalig verklaard en haar feestdag wordt op 5 september gevierd.
De zalige Garenbertus en zijn zuster Raganildis hebben al hun erfgoederen opgedragen en geschonken aan het klooster van Mont-Saint-Martin, namelijk een mooi huis met tweehonderd gemeten land in de parochie Wulpen, waar hun ouders vroeger woonden.

3.2. Het ouderlijk huis te Wulpen.

Het huis  waar de H. Garenbertus geboren werd te Wulpen, is sedert mensenheugnis verdwenen.  Op deze grond staan nu geen huizen meer.  Maar het perceel dat we bedoelen is nog zeer goed te omschrijven. Oudere mensen zullen het  zich nog als "de ommeloop" herinneren.  Elke partij land had vroeger een eigen benaming.  Dit stuk land werd tot voor kort gebruikt door de familie Warreyn, maar in de recente ruilverkaveling is ook dit perceel, dat omwald was door brede grachten en in het midden een hoger gelegen mote had, verloren gegaan. Waarschijnlijk heeft daar het huis van Garenbertus gestaan.

De precieze plaats : daar waar de huidige Wulpendammestraat doorsneden wordt door de Toekomstlaan, op de linkerzijde wanneer u van de dorpskom van Wulpen komt, richting hoeve Desaever. Gedeeltelijk ook in de onteigeningen voor deze baan, lag het goed "de ommeloop".  Men heeft er nooit resten gevonden van dit huis, maar in die tijd waren de huizen van 'plak en stak' (lemen huis) zodat men alleen in de grond sporen kan vinden van eventuele inplantingen.
 

Hoofdstuk 4: Allaertshuizen.

De oude zeedijk werd ten vroegste omstreeks 1030-1050 aangelegd om het er achter liggende, reeds in cultuur gebrachte, gebied tegen de 3de Duinkerkse transgressie (overstroming) te beschermen.

Hij vormt de grens tussen wat het OUD-LAND (kant Wulpen) en het MIDDEL-LAND (kant Allaertshuizen) genoemd wordt.
In het oud-land hebben we dan reeds o.a. de Kerk van Wulpen, het Gasthuis met zijn landerijen en het erfgoed van Garembertus, de stichter van de abdij aan de St.-Maartensberg tussen Kamerijk en Saint-Quentin in Frankrijk.
Het zijn de bewoners van het Oudland die zich tegen de 3de Duinkerkse transgressie beschermd hebben.

De Wulpenaren speelden een actieve rol bij het inpolderen van het kustgebied.  Nog voor 1112 ontstond vanuit Wulpen Booitshoeke.  Kort daarop in 1120 werden Ramskapelle en Dunacapella (Oostduinkerke) van Wulpen gescheiden.  De wroeters van de inpoldering werden rijk.  Omstreeks 1140 schonken Alnotus zijn moeder, zijn twee zusters en de erfgenamen van zijn overleden broeder Herbrecht, een eigendom van ongeveer 101 gemeten aan de Duinenabdij.  Alnotus was blijkbaar minder heilig dan Garembrecht.  Hij had een ontwettige zoon die hij 10 gemeten van de gezegde 101 gemeten schonk.  Dit bracht moeilijkheden mee.  De zaak werd opgelost en in akkoord met zijn familie, Alnotus verkocht de 10 gemeten aan de monniken.  Eenmaal meerderjarig zou zijn zoon een vergoeding ontvangen van de duinenabdij.  De schenking werd  de kern van de allaertshuizen.  Veertig jaar later was het goed uitgegroeid tot een bedrijf van ongeveer 400 gemeten.  Abt Nikolaas Van Belle bouwde er in 1231 de monumentale schuur waarvan nog een stukje van de oorspronkelijke gevel bewaard bleef.

De Oude Zeedijk die van in de Duinen te Oostduinkerke tot Ter Knokke (Fort Knokke aan de IJzer) in Merkem loopt, werd niet ineens als een doorlopende dijk opgeworpen. Eerst werden bedreigde punten versterkt die achteraf met elkaar verbonden werden. Een van die bedreigde punten is de plaats rond de brug in de Allaerthuizenstraat waar de Bommelare,de weg dwarst.
Hier werd zelfs, volgens de gegevens der bodemkartering, een doorbraak afgedamd.
De 3de Duinkerkse transgressie die volgens de recentste studies amper 50 jaar (eerste helft van de 11de eeuw) duurde mag ten andere niet als een massaal opdringen van de zee gezien worden, zoals dit met de 2de  Duinkerkse transgressie het geval was. Het was eerder een periode van talrijke stormen en zware neerslag waarmee ook duinendoorbraak gepaard ging, in de omgeving van waar daarna Nieuwpoort zou ontstaan. Er vond geen massale afbraak van de na de 2de Duinkerkse transgressie nog overgebleven veengronden plaats, en er ontstonden evenmin zeer actieve kreken die tot vorming van kreekruggronden aanleiding zouden geven.

De kreekruggen in het midden-land (= het landschap dat na de 2de Duinkerkse transgressie opnieuw werd ingepolderd) dateren reeds uit de periode van de 2de Duinkerkse transgressie. Na de indijkingen en inpolderingen die naderhand gebeurden bleven wel laaggelegen geulgronden over zoals die waarin de bedding van de Bommelarevaart, Coupure, Koolhofvaart en zo meer lopen. Het is typisch dat de “Meuninckaerde” die gedeeltelijk uit dergelijke geulgronden bestaat, het enigste stuk land is van het Allaertshuizendomein dat langs de “overkant” van de oude zeedijk gelegen is.

Er is nog een brug geweest over de vaart Nieuwpoort-Veurne langs waar de oude zeedijk doorliep tot Oostduinkerke (plaatselijk Hof ter Hilleweg).

In de Allaertshuizenstraat juist voor het kruispunt met de Veurnekeiweg is er links een smalle weg die verkeerdelijk “Oude Zeedijkstraat” heet.  Een heel wat betere naam voor deze weg ware de “Oude Langelis- of Oude Langeleedstraat”.  Rechts van deze weg zien we nog de resten van het Oude Langeleed dat in 1640, door het delven van de vaart van Nieuwpoort naar Veurne (die verderop Nieuwpoortwaarts het Oude langeleed volgt) van de rest afgesneden werd.

Een paar honderd meter verder dwarsen we de Veurnekeiweg die rond 1975 aangelegd werd.  Een weg van druk verkeer en vinden wat verderop de resten van de door ons gevolgde weg terug, die we voortzetten tot die aansluiting geeft op de Kortestraat die de Wulpenbrug met de Dorpplaats verbindt.

Van op dit punt kijken we in de richting waar de in 1640 gedolven vaart “het Langeleed” moet doorkruist hebben en waar wellicht tot in dezelfde 17de eeuw de brug over dat langeleed lag en de weg naar de Dorpplaats liep. In ieder geval had de abdij Ter Duinen een goede verbinding met zijn uithoeven de Allaertshuizen, de Hemme ...

Aan de vaart, langs beide zijden liggen de landerijen die destijds bij de Allaertshuizen behoorden. Sinds het delven van de vaart (1640) werd er aan de overkant een nieuwe hoeve opgericht: De Grote Labeure.

Verder ligt de Steendam, de plaats waar de Bommelarevaart van rechts tegen de weg doodloopt.
Aan de overkant van de vaart zien we, precies in het verlengde van de Bomelarevaart het Oostduinleed in de richting van de duinen lopen.
Karel Loppens beschreef dit dan ook als een verlengstuk van de Bommelarevaart en dacht daarin de overblijfselen te zien van een oude zeearm uit het lagunentijdperk. Op een kaart in een 17de eeuws landboek van de abdij Ter Duinen staat echter aangeduid dat het Oostduinenleed omstreeks 1690 - dus 50 jaar na de vaart - door de Noordwatering gegraven werd.
De Bommelarevaart zal vroeger wel in het Langeleed gevloeid hebben.  We zien ook aan de overkant wat er nog van het Oude Langeleed overblijft in de richting van Nieuwpoort.
Keren we ons met de rug naar de vaart dan zien we verderop de gebouwen van de Allaertshuizen. We keren enkele tientallen meter op onze stappen terug en slaan links de dreef in naar de Allaertshuizen.
Vooraf nemen we echter de kaart ter hand waarop de vaart van Veurne naar Nieuwpoort geschrapt werd en vervangen door de vroegere loop van het Oude LangeIeed.  Zo ongeveer moet het geweest zijn in de tweede helft van de 13de eeuw, ongeveer een eeuw na het ontstaan van de Allaertshuizen.
We doen er goed aan hierbij ook het volgende te bedenken (eventueel met behulp van de schets van Loppens monding van de IJzer rond de 14de  eeuw): het hele gebied van de IJzermonding in de omgeving van de plaats waar Nieuwpoort omstreeks 1063 ontstond, was tot halfweg de 13de eeuw een nog niet bedijkt schorregebied.
Tussen de dreef naar de Allaertshuizen en de Bommelarevaart werd door Isidoor Florizoone in de jaren 1890 een steenbakkerij (binnenoven) opgericht en tot in de dertiger jaren van deze eeuw uitgebaat. Tussen 1925 en 1935 werden tijdens het kleidelven heel wat merkwaardige archeologische ontdekkingen gedaan, waaruit o.m. blijkt dat deze plaats ten tijde van de Romeinen bewoond was en er zelfs een uitgebreide bedrijvigheid heerste (Eventuele verdere uitleg aan de hand van schets der vindplaatsen).
Naar aanleiding hiervan mag wellicht verondersteld worden dat er hier ten tijde van de Romeinen en de Franken (= 2de Duinkerkse transgressie, +- 400 - 800) een vrij belangrijke zeearm lag, en dat de Bommelare misschien maar een omleiding ervan zou zijn, tot stand gebracht door de grondleggers van de Allaertshuizen-grangia als waterkering voor het door hen in cultuurland omgevormde schorregebied.
Zo bereiken we de Allaertshuizen die tot in de 16e eeuw één hoeve vormden. Toen er geen lekenbroeders werd de hoeve in twee delen gesplitst en aan leken in pacht gegeven.
Op de hoeve van de Allaertshuizen, laten de resten van de oude eindgevel rechts van ons zodat we op de "Neder-Allaertshuizen." Komen.

1138 - 1142 : schenking van 101 gemeten (mits vergoeding) + bevestiging;
1246  : 700 gemeten
1232 -1243 : abt Nicolaas van Belle (bouw grangia of schuur);
1590 –1593 : verwoestingen door Spaans garnizoen van Oostende
1713  : jaartal in zijgevel schuur (nieuwe schuur);
Franse revolutie - verbeurdverklaring, gekocht door 2 monniken, later door het Bisdom.
Terugkeer naar de "Opper-Allaertshuizen":
uitleg over de “schutegracht” en de mogelijkheid dat deze “grangia” een “waterschuur” was.

Hoofdstuk 5: Het gasthuis Bethanië.

1249:  Een oude kerktitel spreekt van een  akkoord tussen de abdij van Veuren en de heren tiende-effers, aangegaan in 1249, betreffende de pastoors van Wulpen.

1277: volgens de kroniekschrijver Grammaye, (volgens anderen in 1252) werd door een edelman Gerbertus een gasthuis gesticht te Wulpen.
Het werd door “de grijze zusters” bestuurd.  Dit klooster moest armen en vreemdelingen herbergen.
Van toen werd het klooster "BETHANIE" genoemd of ook "Het huis der nonnen van St.-Augustin".
Hoewel de zusters niet gebonden waren aan de regel van de premonstreit werd het klooster geleid door de abt van de St-Niklaas abdij van Veurne.

Men bewaarde in dit gasthuis een kleine kroniek waarin de bijzonderste daden of gebeurtenissen geschreven stonden.
Het klooster van Bethanië begon met 14 gemeten (6,1922 ha) en 216 roeden (ongeveer 648 á 1296 m2), een halve opbrengst van een molen (Florizoones molen) en met de opdracht dat de mensen van het gasthuis van oktober tot Pasen aan drie voorbijgangers een verblijf moesten geven, een hoeveelheid hout en een hoeveelheid groenten en wekelijks moesten ze aan de arme Wulpenaars 32 pond masteluinbrood uitdelen.

1345: Raymond, bisschop van Terouanen, waaronder Wulpen indertijd lag, verbiedt het gasthuis te fusioneren met het gasthuis van St.-Jan te Veurne, opgericht door Jan de Teneramuda, kanunnik van de St.-Walburgakerk te Veurne.

1414: Broeder Michiel de Ketele,  meester van het gasthuis te Wulpen,  vertrok naar Rome,  met toestemming van de bisschop van Terouanen Anthoon.  Hij laat,  in het geval hij binnen het jaar niet terug is,  alle eigendommen over aan de zusters van het gasthuis.
1486: De nonnen ontvangen  de regel van St.-Augustinus.
1491: De religieuzen bezaten een hofstede van 108 gemeten (47 ha gemeten 7,92 ha) land en een windmolen die een bijzondere gift was.
1553: Het klooster brandde  per ongeluk af.
1554: Het werd heropgebouwd door de zorgen van zuster Petronella (filia Jonker Jan van Heule),  die er opperzuster was. Van haar was er vroeger in de oude kerk een zerk te vinden,  die nadien ergens als vloersteen werd gebruikt.
1577: Beeldenstormers en geuzen plunderen het klooster en de zusters werden verjaagd, onder hen Cateleyne de Pleys, Threes Stuarts, Janneke Huyssens, Margriet Othgeers, Margriet Vandamme, Paschyne Deurmans of Deurmaers, Clara van Ontrive, Adriana Wyts, Martina van Ackere.  Zij vertrokken naar Kortrijk, andere naar St. Omaers.
1583: Vanuit Frankrijk werd de streek van geuzen gezuiverd en de zusters keerden  naar Wulpen terug, waar ze weer in het bezit gesteld werden van hun goederen.
1590: Nog was hun "miserie" niet teneinde.  De Oostendenaars, de geuzen die Oostende bezet hielden, vielen Wulpen binnen.  Ze staken de kerk, de molen en het gasthuis in brand.  De priorin Adriana Wyts, die verwant was met pastoor Jan Bekaert van St.-Niklaas Veurne, en Martina van Ackere gaan wonen in Veurne tot in het jaar 1600 in een huis van Eloi Boeye.  Hiermee kwam ze tegemoet aan de wens van het concilie van Twente, die pleitte om de vrouwenkloosters van het platte land binnen de veilige muren van de stad te brengen.

1600 of 1601:  Ze kopen een huis in de Penitentestraat en beginnen opnieuw een kloosterleven te leiden, tot in 1612 de priores Adriana Wyts sterft.
1615: Het aantal volgelingen is zo aangegroeid dat zij hun huis verkopen voor 400 gulden en een ander kopen in de weststraat tegenover de herberg "De Drie Koningen". Ze bouwden er een kapel bij.
1618: Op 21 november aanvaarden zij het witte habijt van de orde van St.-Norbertus.
1624: Ze kopen voor het klooster nog een huis aan de overkant van de westsstraat.
1640: Ze omringen het klooster met een stenen muur, die 600 Pond Grooten Vlaamsche (nu ongeveer 54000 BEF – 1350 EURO ) kost, 1 Pond Vlaamsche was toen ongeveer 6 gulden waard.
1641: De funderingen worden gebouwd van een nieuw klooster (de kelder, de keuken, de refter, de werkkamer en de cellen daarboven). Dit kostte toen 21600 Pond Parisis (19542 BEF – 488 EURO).  Ze betrekken het klooster in 1642.
1644: De Heer van Meris geeft op 7 november bij testament aan Mevrouw Josyne De Doys (douariere) van dhr Jan Destrompes, het klooster en een rente van 80 pond Grooten Vlaamsch (480 gulden= 7200 bfr) per jaar, op zekere voorwaarden.
1662:  Het klooster lijdt grote schade door een storm.   De nonnen doen een omhaling bij de mensen uit Veurne en omliggende en halen 10929 Pond Parisis.
Het klooster wordt hersteld in 1663 en men begint aan een nieuwe kapel die afgewerkt is in 1666.   Zij lazen er de eerste mis op 19 maart van dat jaar.
1666: De funderingen worden van het pand langs de westkant gelegd, dit voor twee kamers en twaalf bovencellen.
1670: Ze openden te Veurne een school waar ze de meisjes van de burgerij leerden lezen, schrijven en naaien.
1783: Het klooster der Nobertijnen wordt afgeschaft en door keizer Jozef-II verkocht voor 9300 gulden Courant Vlaamsch (Zilveren munten ).
1790:  De laatste nonnen keerden naar Wulpen terug om er hun laatste levensdagen door te brengen.

Tegenwoordig is het vroegere gasthuis van Bethanië een hofstede, nabij de kerk. Het wordt nog het gasthof genoemd, en bewoond door de familie Degroote. In de hoeve zijn nog steeds de brede wallen, de voorpoort en de achterpoorten, alsook de draaitrap die leidt naar de hoogkamer, eertijds kapel van de kloosterzusters.

Lijst der zusters die verbleven in het gasthuis Bethanië.

Eerste priores was Petronelle Moens. Zij stierf op 7 januari 1485
Gerarda van Hassebrouck , stierf te Wulpen op 1 april 1521
Maria Godschalck, stierf te Wulpen op 15 maart 1538
Cathriene Pleys, stierf te Wulpen op 10 december 1584

Hoofdstuk 6: Wulpen had ooit een molen.

Florizoones molen:
Destijds stond te Wulpen langs de Dijk een windmolen.  De molen stond een honderdtal meter van de huidige voetgangersbrug, in de richting van Veurne, op het stuk land palend aan dat, waarop het eeuwen oude kapelletje der Florizoones stond (zie verder). De molen verdween in 1914. Ook deze molen behoorde gedurende minstens anderhalve eeuw tot de geschiedenis der Florizoones.
Wanneer men van de molen zegt, dat hij er reeds stond in 1252 dan wil dat natuurlijk niet zeggen, dat hij er werkelijk al die eeuwen zo maar stond en nooit ten gronde vernield werd.  Zevenhonderd jaar was een mooie ouderdom, ook voor een molen.
In de jaren zestienhonderd werd de vaart tussen Veurne en Nieuwpoort gegraven, tijdens het Spaanse tijdvak. Het is 1.90m diep en 17m breed. Gedolven met de schop en weggevoerd met paard en kar.
In het staatsarchief te Brugge en eveneens in het stadsarchief aldaar berusten nog twee ongeveer gelijke perkamenten met de ontwerpen, betreffende de loop van deze vaart, waarvoor twee verschillende concepten bestonden.
Een ander geschiedkundig zeer interessant dokument, is een gedrukte kaart van 1648 waarop Veurne en omliggende staat nadat de Franse koning Lodewijk-XIV de streek van de Spanjaarden veroverd had. Deze kaart werd getekend door een sergeant van het leger, met name S. de Beaulieu, en werd te Parijs gedrukt en uitgegeven. Een uiterste zeldzaamheid voor deze kaart  is wel het feit, dat de dorpen, die er op afgebeeld staan, werden voorgesteld door kleine schetsen van de toenmalige bekenste gebouwen. Zo zien we voor Wulpen de kerk, het vernielde gasthuis en de molen zeer duidelijk getekend.
De molen is door de tijd heen door verschillende mensen bediend geworden. In het staatsachief  te Brugge ligt een affiche  voor verkopen van land, zij dateert 13 augustus 1797. Daarin lezen wij  dat de hofstede bestond uit 114 gemeten land, waarvan de partijen stuk voor stuk omschreven worden. Als stuk nr. 4 vinden we 9 gemeten land met een molen in goede staat en onderhouden door de huurder, een zekere François Demolder.
Rond 1830 werd het modern kadaster met de getekende kadasterkaarten opgericht. Daarbij hoorde een eerste kaart en een oorspronkelijk  kadastraal legger met de naam van de eigenaars van alle genummerde stukken. De  kadastrale legger van Wulpen, dateert van 1834 en in de lijst der eigenaars vinden we ondermeer  onder sectie C nr. 457 de molenwal en onder 457 bis de molen terug.  Zij zijn op  dat ogenblik eigendom van Declerck Michiel, landbouwer te Wulpen. Het is wel het overwegen waard, dat die Michiel Declerck gehuwd was met een zekere Anna Theresia Demolder.  Een dochter van de vorige pachter?
In de registers der beraadslagingen van het schepencollege der gemeente Wulpen vinden we anderzijds ook de namen terug van twee molenaars. Inderdaad tussen de jaren 1856 en 1868 werd telkenjare - mogelijks niet in 1857- een lijst aangelegd van meer begoede ingezetenen, die een bijdrage moesten leveren voor de armen der gemeente en dit onder de vorm van tarwe. Welnu, in die lijst van 14/12/1856 staat nog steeds vermeld : Declerck Michiel - molenaar - één zak. Maar het volgende jaar  1858 vinden we Declerck Michiel terug als rentenier en onmiddellijk gevolgd door Florizoone Johannes - halve zak. Tot 1868 vinden we dezelfde Florizoone terug, alleen zijn bijdrage verandert. In 1859 reeds anderhalve zak, in 1865 één zak en drie spind en in 1867 twee zakken.
Florizoone Johannes, eigenlijk Jan-Baptist, die in 1826 geboren werd, was gehuwd met Declerck Séraphina, geboren in 1831, een dochter van de vorige molenaar.
De laatste molenaar was Theophiel Florizoone, geboren in 1866, zoon van Jan Baptist Florizoone en gehuwd met Romanie Florizoone. Dit maal ging de molen over van vader op zoon.
De laatste molenaar, die in 1943 stierf, heeft zijn molen echter met 29 jaar overleefd, want de molen verdween in oktober 1914.
We lezen in een register-schrijfboek dat de molen op 25 oktober 1914 door een genie-bataljon van de 2de legerafdeling opgeeist werd. Dit genie-bataljon vernielde de kerktoren en de molen. Zij bleken een te duidelijk richtpunt te zijn voor de vijand.
De inwoners wisten te vertellen, hoe zij op een zondagmorgen, toen zij van de eerste mis kwamen de molen als een laaiende toorts zagen afbranden  en ineenstorten.
De kinderen van de laatste molenaar voegen er nog bij, dat alles zo onverwacht en zo snel gebeurde dat de knecht slechts enkele boeken uit de brand kon redden, want vader, de molenaar, bewaarde en las daar ook boeken.

Hoofdstuk 7: Het kapelletje der Florizoones.

7.1. De kapel aan de Florizoonebrug op de Conterdijk is niet meer..

Het was de jongste Mariakapel van Wulpen met  wellicht de oudste voorgeschiedenis uit de hele streek. De kapel werd afgebroken in 2016 en zal niet meer worden opgebouwd.

In de 1961 was nog geen sprake om  de oude "kapel van de Dijk", zoals ze in de volksmond genoemd werd, af te breken.  Toch werd op 31 augustus 1963 de oude kapel, die toen 303 jaar oud was, met met pijn in het hart afgebroken om de staatsbaan Veurne-Nieuwpoort de verbreden. De steen in de topgevel droeg als jaartal 1660 en ligt nu als souvenir in het museum 'FLORISHOF' te Oostduinkerke, waar je ook de altaardwaal, uit honderden stukjes kleurrijk laken door Godvruchtige handen vervaardigd, kunt terugvinden.

Het kapelletje op de Conterdijk werd gebouwd door Maurits Cornelis en zoon Ivo, die het plan tekende, op aanvraag van Gerard Florizoone.  De kapel werd gebouwd naast de winkel van Gerard, Conterdijk 23. Het werd nogmaals toegewijd aan  O.L.V. hulp der Christenen, de H.Don Bosco en de H. Dominiek Savio.  Deze waren reeds gewijd door Pastoor Henri Diet.
In de herfst van 1963 werd de "kapel van de Dijk", nu op de Conterdijk, plechtig ingezegend door E.H. Hautekiet.

In die kapel stond een getrouwe reproductie van het oorspronkelijke beeld. Dat eikenhouten beeld was waarschijnlijk 300 jaar oud.  Maria was gekleed in een blauwe fluwelen mantel.  Het Jezuskind op haar arm was in witte zijde gehuld. Maria en het kind droegen beide een vergulde kroon.

7.2. De "kapel van den Dijk (voor 1963) en de kapel van de Conterdijk (die afgebroken)".

Wanneer we teruggaan in de tijd was deze kapel reeds familiebezit van de Florizoones tesamen met de molen van 1781. Oude notariële akten geven inzicht over het ontstaan van de kapel van de Dijk in 1660.  Die zou ontstaan zijn uit het gasthuis Bethanië. In 1252 stond er reeds een windmolen op het perceel C457 en op perceel 458bis stond een kapel, die dus zou dateren uit 1660.

Maar wat de kroniekschrijvers niet wisten is dat Gerard Florizoone bij het afbreken van de kapel onder de vloer van het achterste en oudste gedeelte, die uit rode gebakken tegels bestond, tientallen loden geweerballen vond.
Bij de funderingswerken vond hij een karrevracht gebroken beeldjes (zoals engeltjes, fresco's, maïskolven, alles half verheven, kapiteeltjes als op pilaren maar kleiner van vorm, vermoedelijk afkomstig van een altaar uit een nog oudere kapel. Misschien komt dit overeen met de verwoestingen in 1647 (beeldenstorm).
De datum 1660 is duidelijk op te maken uit de grondvesten die meer dan 1 meter dik zijn en met roggemeel zijn gemetst. Er werden ook materialen gebruikt van een vroegere verwoeste kapel, vermoedelijk van het hof Bethanië.

Vooraan was de vloer bedekt met grote arduinen schorren, terwijl er achteraan rode wellicht oude vloertegels lagen. Op een stenen verhoog stond een gekroond O.L.V. beeld  met scepter in de hand  en met blauwfluwelen mantel omhuld. Het gekroonde Jezuskind  op de arm der maagd was met witzijden kleedje getooid. Dit beeld stond op een voetstuk waarop gegrift stond : "DIT IS GEJOND DOOR PIETER-JOANNES VERMINCK BID VOOR ZIJN ZIELE" . De naam van Pieter Johannes Verminck is niet terug te vinden in de bevolkingsregisters en is dus waarschijnlijk een vreemde aan de parochie. Naast het beeld van de maagd stond eveneens een beeld van de H Don Bosco.

In deze grondvesten zijn ook bakstenen "moeffen" gevonden.  Terloops weze ook gezegd dat deze kapel van de grond tot de nok 7 meter hoog was.Wanneer de binnendeuren openstonden  tussen het voorste en het achterste gedeelde konden er zeker 40 mensen rechtstaan om voor het altaar te bidden. Destijds was er waarschijnlijk ook een uitweg tussen de windmolen en het kapelletje van het hof  van Bethanië in noordelijke richting, want achteraan de hoeve stonden er ook twee pilaren tussen de wallen die daarop wijzen.  Het kapelletje was eigendom van Wed. Julien Florizoone te Wulpen, oude notariële akten klimmen terug tot 1863. Vermelden we dat in deze tijd het kapelletje toebehoorde aan de familie Declerck-Demolder. Achteraf kwam het in handen van  Johannes Florizoone-Declerck om tenslotte bij testament en erfenisaankoop in handen te komen van de familie Julien Florizoone-Florizoone.

Het kapelletje had de vorm van een halve zeshoek  en werd kennelijk in twee delen opgetrokken. Men krijgt de indruk dat men aan het oospronkelijke kapelletje een tweede deel heeft bijgebouwd ten einde aan de biddende bezoekers de kans te geven hier te schuilen ofwel ongemerkt en ongestoord te kunnen bidden. Verder wordt beweerd dat de bouwtrant van deze kapel een zekere overeenkomst vertoont met de gebouwen van het vroegere gasthuis dat in de tweede helft der dertiende eeuw door de edelman Gerebertus te Wulpen werd opgetrokken. Nu kan men zich afvragen of deze landelijke kapel destijds aan het klooster van Bethanië heeft toebehoord.   In elk geval : de kapel Maria Hulp der Christenen ligt niet zo ver af van het vroegere gasthuis en mogelijk heeft men als stille bidplaats voor de kloosterzusters een kapelletje op enige afstand van het eigenlijke kloostergebouw opgetrokken. Hier kan men nu opmerken dat de zusters in 1590 voorgoed het gasthuis van Wulpen verlieten. Dit zou dus geschied zijn zeventig jaar voor de kapel werd gebouwd. Of werd de oorspronkelijke kapel samen met het gasthuis door de beeldenstormers verwoest?

Hoofdstuk 8:  Het Landelijk feest - Veeprijskamp te Wulpen (geschiedkundig).

De gemeente Wulpen was steeds bekend om zijn goed veeras, na de eerste wereldoorlog bezat zij de kern van het tegenwoordige Rood Vlaamse Ras.
Midden de jaren 20 besloot een groep landbouwers een veeprijskamp in te richten. Deze jaarlijkse veeprijskamp is uitgegroeid tot een der bijzonderste van de provincie en wordt bezocht door professoren van de hogeschool van Gent en hoge ambtenaren van het ministerie van landbouw.

De eerste veeprijskamp ging door in het jaar 1926.

Gouverneur Van Outryve d'Ydewalle was in 1959 aanwezig bij de 35e uitgave van deze prijskamp en hij was ook aanwezig bij het half-eeuwfeest, waar hij hulde bracht aan de medewerkers van het eerste uur, die overgebleven zijn, nl. Kamiel Van Hyfte en Victor Desaever.

Op zaterdag 17 juli 1976 ter gelegenheid van de vijftigste veeprijskamp wordt een groots landelijk feest georganiseerd. Te 11.45 uur wordt op de Dorpsplaats te Wulpen een gedenkplaat onthuld met de namen van de stichters van de veeprijskamp. Deze zijn Camiel Van hyfte, Victor Desaever, wijlen René Vandenberghe, Julien Rommelaere en Omer Pauwels .

In de namiddag wordt te 14 uur door de brandweerfanfare van Oostduinkerke de namiddagmarkt feestelijk geopend.  Op deze markt zullen oude ambachten worden gedemonstreerd, zoals : het vervaardigen van klompen, rieten manden vlechten, het draaien van koorden, het slachten van een varken, het beslaan van paarden en het smeden van hoefijzers.  Allerhande kleinvee zoals kippen , eenden, konijnen, schapen, geiten, alsook varkens en biggen zullen tentoongesteld worden. Op deze landelijke namiddagmarkt zal de gelegenheid geboden worden om zich ovenkoeken, boerenworsten, boerekoekebrood en dergelijke specialiteiten aan te schaffen.
Oude paardekoetsen zullen tegen betaling zorgen voor aan-en afvoer van belangstellenden tussen de badplaats en de Dorpsplaats te Wulpen, zodat ook de toeristen dit gebeuren kunnen meemaken.
Vergeten we daarnaast niet te 14.30 uur de grote jubileum veeprijskamp voor Rood Ras van West-vlaanderen, voorbehouden voor leden van het veekweeksyndicaat gewest Nieuwpoort.

Nu nog, is er ieder jaar, de derde zaterdag in juli, het GROOT LANDELIJK FEEST met de VEEPRIJSKAMP.

Hoofdstuk 9: Wulpen door-de-eeuwen-heen.

1106: Wulpen vormde samen met Veurne Binanburg (St.-Walburga) en Veurne Butanburg (St.-Niklaas) een geheel.  Het is zelfs niet uitgesloten dat Wulpen de eerste parochie van Veurne was.

1135: Het patroonschap van de kerk van Wulpen werd aan de abt van de St.-Niklaasadbij van Veurne geschonken.

1249: Een oude kerktitel spreekt van een  akkoord tussen de abdij van Veuren en de heren tiende-effers, aangegaan in 1249, betreffende de pastoors van Wulpen.

1315: Het regende dit jaar  tien maanden lang.  Er was veel armoede en ellende, want alles dat op het land groeide verging en verrotte door de regen.  De prijs van tarwe ging toen 42 Pond Parisis (0.94 euro), wat toen zeer duur was.

1567:  Een bende zeegeuzen van 15 man ontscheepten  ‘s nachts in Oostende. Zij kwamen daarna naar Wulpen en poogden rond de morgen in de kerk in te breken. Toen dit niet lukte verscholen zij zich achter een dikke haag en vertrokken de volgende nacht naar Hondschote.

1572: De leden der wet van Veurne-Ambacht lieten de wacht optrekken op de kerktoren te Wulpen  en schietgaten maken, vanwaar zij het omliggende konden bespieden om, wanneer de vijand afkwam, alarm te slaan.
Vandaar het gat aan de voorkant van de kerk. Ook alle bruggen over grachten en waterleidingen werden weggenomen.

1577: Een bende beeldenstormers (200-tal) aangevoerd door een geuzenpredikant Pieter Hasaert van Comen, de doorgang door Veure geweigerd zijnde, komt naar Wulpen.  Zij dringen de kerk binnen en slaan alles wat vernielbaar is aan stukken. Het was ook deze bende die het gasthuis Bethanië, nabij de kerk gedeeltelijk in brand staken en de kloosterzusters verdreven.

1582: Het leger van de hertog de Montpensier, bestaande uit 4000-mannen, Zwitsers en Fransen, kampeerden drie dagen in ons dorp. zij richtten veel schade aan.

1587: Het is een dure tijd,
Vorig jaar is de oogst mislukt, deels door de regen, deels door gebrek aan arbeiders. Bijna alle landerijen zagen eruit als wildernissen. Er waren zelfs wolven. De boeren die er nog waren moesten 's nachts hun vee bewaken. Er liepen ook veel wilde katten en honden rond. Premies werden uitgeloofd voor het afschieten van wilde dieren.

1590: Op 7 september rukte de Hollandse bevelhebber van Oostende (Jan Corvey) met 900-voetknechten en 300-ruiters langs het strand naar de Westhoek op. Na een schermutseling te Lombardsijde, waar de kustwacht begaf, trokken de vrijbuiters bij laag water nabij de IIzermonding over het wad.  Alover de Nieuwpoortse duinen drongen zij door en vielen Oostduinkerke binnen.  Zij plunderden heel het dorp, staken vele huizen in brand en namen de niet gevluchte bewoners gevangen.   Toen kwam Wulpen aan de beurt : de kerk, het nonnenklooster en de molen gingen in de vlammen op.  Zij drongen verder tot onder de muren van Veurne en keerden alover het Nieuwpoortse wad met al hun buit, het vee en de gevangenen naar Oostende terug.  Onder deze bevond zich pastoor Heindrick van Wulpen die, na een losgeld te hebben betaald, op vrije voeten kwam en te Wulpen huis en have in as vond.

1591: De parochie zag er erbarmelijk uit. Vorig jaar zo geplunderd, bleven nu alle landerijen braak liggen.Veel boeren hadden geen enkel dier meer, alles was gestolen en er bleven nog veel boeren en andere burgers gevangen zitten in Oostende, omdat zij hun losgeld niet hadden betaald.

1592: De wethouder van Veurne doet de toren versterken en wachters installeren, die moeten het vuur onsteken in geval van onraad.

1593:  Grote brand te Wulpen.  Wie heeft niet horen praten over de Allaertshuizen, twee aaneenpalende hofsteden, behorende aan het bisdom Brugge en gebruikt door M.M. Florizoone en Vanneste. Daar ziet men nog de hoge gevelmuur van de oude schuur (een deel van de abdij Ter Duinen te Koksijde, alwaar in vroegere eeuwen de tienden verzameld werden).
In een beschrijving van de abdij Ter Duinen lezen wij dat de rebellen van Oostende (soldaten) anno 1593, geheel West-Vlaanderen verwoestten en de hofstede van Allaertshuizen, met de grote vermaarde schuur die vol graan was, tot de grond hadden vernield.
Diezelfde Oostendenaars staken ook de hofstede Ten Bogaerde te Koksijde in brand.
De familie Alnotus schonk in 1124 enkele in het overstroomde gebied gelegen schorregrond aan de Duinenabdij van Koksijde.  De schuur dateert oorspronkelijk van 1250.  Hij was toen 58 m lang, 24 m breed en 18 m hoog.

N.B. Na een grondig onderzoek, vonden we dat de Allaertshuizen, eerst bewoond werden door tempeliers (1100-1312) en later door ridders van Malta tot 1530. Dit waren  twee religieuze en militaire kloosterordes, die als zending hadden de pelgrims en bedevaarders te beschermen tijdens hun tocht naar Rome of Palestina. De ridders, meestal edellieden, woonden in kastelen en forten. Zo ook hadden de Allaertshuizen, nabij de steendam een blokhuis of fortresse, met elkaar in verbinding gesteld door een onderaardsegang die nu toegemetst is en waarvan men nu nog de gewelven ziet.
Theophiel Florizoone, echtgenoot van Romanie Florizoone (zijn nicht) en ouder van Joseph, Maria, Godelieve, Odila en Agnes werden geboren op Allaertshuizen.  Theophiel werd geboren op 19 januari 1866 en overleed te Wulpen op 23 januari 1943. Hij was de laatste molenaar te Wulpen.

1595: De huizen die over vijf jaar vernield of beschadigd werden, zijn  nauwelijks hersteld of voltooid of  een bende Oostendse plunderaars vallen Wulpen binnen op 26 augustus. Zij brandden hier en in het omliggende vele huizen en boerderijen plat. De oogst was juist binnen.
Een boer van Oostduinkerke, Pieter Hommels, verloor zo zijn volledige fortuin : 32 koeien, 300 schapen, 5 paarden, 3 veulens, 30.000 schoven vruchten en zijn huisraad.

1596:  De pest woedt hevig in Veurne. Er zijn enkele gevallen van pest te Wulpen.

1599: Het graan is zeer duur en er is veel ellende.

1606: Ten gevolge van een zware storm en hevige regenval werden op Pasen veel huizen beschadigd te Wulpen.

1645-1646: De pest heerst te Wulpen . Er sterven veel mensen. Pastoor Nicolaas Deraedt, die de pastorie liet zetten (zijn naam stond vroeger te lezen in een steen boven de ingangsdeur van het gebouw) werd slachtoffer van zijn zelfopoffering. Hij stierf aan de pest op 29 augustus 1646 en werd begraven in het O.L.V.-koor, drie stappen van de hoofdpilaar van de toren.
De winter was zeer koud en streng. Tot overmaat van ramp kwamen Franse soldaten geheel Veurne-Ambacht aflopen. Zij persten, door mishandelingen, de boeren en de rijke burgers hun geld af en roofden overal waar er iets te roven was. Zij liepen van dorp tot dorp, sloegen de klokken aan stukken en steelden lood en koper en al wat ze maar vonden. Ten gevolge van de pest stierf een derde deel van de bevolking van Veurne-Ambacht. Het volk was zo benauwd dat er geen mens meer langs de straat durfde lopen, uit gevaar voor rovers of pest.

1647: De pastorie, die er nauwelijks 5 jaar stond, wordt door soldaten moedwillig onbewoonbaar gemaakt. De muren zijn gescheurd, het dak is afgetrokken en pastoor Gerardus Fleurkin, opvolger van pastoor Deraedt, is genoodzaakt te gaan wonen (gedurende drie maanden) in Veurne en (zes maanden) in Nieuwpoort,  in de keuken van de Uil, huis dicht bij de kerk en toen bewoond door Phanus Tahon. Ondertussen woedt de oorlog voort.
De vijandelijke legers, nu eens Spanjaarden, dan Fransen bedrijven ongehoorde gruweldaden.
De horloge wordt gestolen alsmede het koper en zilverwerk. Het zilveren wierookvat, dat nu nog bestaat,met het jaartal 1540 onderaan, bleef gespaard.
De eerste klokken verdwenen.  Schotse en Engelse soldaten houden de wacht in de kerk en onteren het huis van God op de schandelijkste en heiligschendigste manier.  Pastoor Fleurkin getuigt van zichzelf dat hij een martelaar  van Wulpen mag genoemd worden. De goede herder was ooggetuige geweest van verschillende moordpartijen en hij bezweek aan kanteern en St.-Laurentiuszweren (1651).
“De zorgvuldige dienaar van de Heer had vijf verschrikkelijke jaren achter de rug, dag en nacht op zoek naar zijn verloren schapen, hem troosten en moed inspreken, hij heeft zijn leven ten beste gegeven. R.I.P. “(Uit oud parochieregister).

1653:  Doordat de voorgaande jaren extreem slecht waren, leefden de boeren in armoede en dit jaar waren graan, boter en dieren niks waard.

1657: Veel dieren werden gestolen uit de weiden door soldaten van Don Joan van Oostenrijk, die te Ramskapelle lagen.  Enkele boeren verlieten hun erf en gingen met hun gezin, huisraad en gereedschap dieper in het Houtland wonen.  De helft der huizen bleef onbewoond te Wulpen, zoals elders in het omliggende.

1659:  De graaf van Merchem trekt met een Spaans leger van 12000-man door Wulpen recht naar Ramskapelle. Ze kwamen van Poperinge.  Dit leidde tot grote schade voor de inwoners van Wulpen, want meestal werden alle rijpe vruchten gestolen van het veld.Tengevolge van een wapenstilstand, wat later op het jaar, begonnen de boeren hun vervallen hofstede te herbouwen of te herstellen.Vele vluchtelingen betrokken hun verlaten hofsteden.  De pastorie te Wulpen werd door de zorgen van pastoor kanunnik Meese volledig hersteld.

1661:  Doordat de tarweoogst in de oosterse landen totaal mislukt was werden de granen, van Veurne-Ambacht, die van goede kwaliteit waren, veel gevraagd. De tarwe ging 24 gulden.  Een welgekomen verademing voor de boeren.

1662:  Op 28 maart raasde over Wulpen een nooit geweten storm. De schade was enorm.

1662-67-68-69:  De pest heerst terug in Wulpen en er vallen vele slachtoffers.  Zonder de zorgen van de H.Willibrordus zou Wulpen uitgestorven zijn.
Andreas Christiaen stierf als eerste aan de pest op 25 augustus 1666.  Hij werd begraven in een stuk land over de vaart.  Hij kreeg een lijkdienst 1ste klas.  Johannes Christiaen stierf op 7 september van hetzelfde jaar en werd op 9 september begraven bij zijn vader. De hele familie werd door de ziekte uitgeroeid.  Pater Silvester Capucijn verzorgde de pestlijders en begroef ze.

1666: Op de Allaertshuizen boerde Judocas Willaert.  Zijn dienstmeid Martina Wackenier stierf aan de pest op 28 februari 1669.  Zijn knecht George Vilain op 10 maart.
Op 2 juni werd er vrede gesticht tussen de machtige landen Spanje en Frankrijk.  Veurne die in oorlogstijd vier maal ingenomen en wedergenomen werd bleef bij Frankrijk.

1673: Vele landerijen van Wulpen overstromen, dit doordat de gouverneur van Nieuwpoort de sluizen opende en het omliggende onder water zette om het vijandelijke leger af te houden van Nieuwpoort-stad.

1683-1684:  Er heerste een zeer strenge winter. De oudste mensen van Wulpen kenden nooit zo'n winter. Vele mensen stierven van  kou. De vruchten op het veld bevroren en in de stallen stierven de dieren. De zee, zo ver men kon kijken, was een ijsklomp. De zomer die daar op volgde was er ook een van buitensporigheden. Er viel geen druppel water van begin april tott augustus. Er was geen gras op de weide en de boeren moesten hun graangewassen aan de dieren geven. Door de langdurige droogte werden veel gewassen en bomen kapot gevreten door ongedierte.
N.B. Tot op het einde van de 17e eeuw stond te Wulpen bij Steendam een blokhuis, (redoute of forteresse). Men weet niet met welk inzicht die sterkte is gezet geweest.
Ook is er niet geweten waar het Hof der Ridders van Malta gestaan heeft.
Wulpen groeide nu (omtrent een volledige eeuw) stilletjes aan en de mensen spaarden om door het leven te raken. Na lijden komt verblijden.

1774:  Drie mooie klokken worden geplaatst in de kerktoren. Hun akkoord, ofschoon niet overzwaar, is helder en welluidend.
Op de rand van de grote klok staat in verheven letters geschreven: "Ten jare 1774 heeft Wulpen mij gewijd ter eere van den heilige Willibrordus, patroon dezer parochie.  Den eerweerden Petrus Josephus Clarysse deken ende kanunnik van de collegiale kerk van St Walburga in Veurne; Ten tijde van de eerweerden heer Ferdinand Van Cassel, pastoor - Peter den voorzeiden eerweerden heer deken Clarysse, en de meter Juffrouw Catharina Charpentier, uxor d'heer Pieter Joannes Vanderleeuw, schepen en de keurheer der stede en
casselrie van Veurne; ende in dezen tijde was hoofdman Emanuel Delefortrie en de zetter Pieter Despodt.  G,Du Mey me fecit Brugis"

Op de middenste klok staat te lezen :
"Ten jare 1774 heeft Wulpen mij gewijd ter eere van de heilige Maagd Maria-en-eerweerden heer Pieter Clarysse, deken ende kanunnik van de collegiale kerk van St-Walburga te Veurne - Peter den eerweerden Ferdinand van cassel, religieus van de abdie van St-Niklaas in Veurne, pastoor dezer parochie, en de meter Petronella Constantia Hosten uxor Emmanuel Delefortrie, hoofdman dezer parochie, en de zetter Pieter Despodt.     G,Du Mery me fecit Brugis."

Op de kleinste klok vindt men :
"Ten jare 1774 heeft Wulpen mij gewijd ter eere van den heiligen Joannes baptista - Den eerweerden heer Pieter Josephus Clarysse, deken ende kanunnuik van de collegiale kerk St.-Walburga in Veurne, ten tijde van de eerweerden heer Ferdinand van Cassel, pastoor - Peter Pollicarpus-Joannus De Molder, oud hoofdman, en de meter Rosalia Franciscus Detollenaere, uxor Hendrik Gryson,kerkmeester dezer parochie, hoofdman dezer parochie was Emmanuel Delefortrie; en de zetter Pieter Despodt.  G,Du Mery me fecit, Brugis"

N.B. De grafsteen van Delefortrie lag juist voor de kleine portaaldeur.
Dat er lang voor de jaren 1774 ook klokken geweest zijn valt niet te betwisten, aangezien de ouderdom, de grootte, de sterkte en de constructie van de toren, wat er met gebeurd is en in welk jaar ze zijn verdwenen, kunnen we niet met zekerheid zeggen.
Men veronderstelt dat de eerste klokken gestolen zijn in 1645 of 1647.

1873: De oude kerk was van de jaren 1400. Enkele delen van het gebouw waren nog ouder. Bouwkundigen beweren dat deze delen dateren van de XIe en de XIIe eeuw.
In de loop der tijd heeft de kerk heel veel afgezien. In den beginne, een kapel uit bergsteen opgetrokken, nu eens vergroot, verlengd of verbreed; dan geplunderd en van zijn sieraden beroofd, verwoest en afgebrand, schandelijk onteerd en buiten dienst gesteld. (In de jaren 1645-46 woonden er zeven huisgezinnen in de achterkerk en acht in de toren).
Terug hersteld, versierd en opgeluisterd, onze kerk overleefde al die droevige tijden.
De Franse revolutie brak los! Vreemde soldaten (een samenhang van gespuis, janhagel en galgenaas) liepen tierend rond en hadden er hun vermaak in te iets te zien branden. De woestelingen komen in Wulpen en richten in het heiligdom een stapel van stro op. Dank zij de tussenkomst van de inwoners blijft de kerk van Wulpen gespaard.
Doch het uur der vernieling is geslagen; Op 14 juli 1873 omstreeks 22 uur 's avonds slaat de bliksem in en zet de kerk in brand. De inwoners, samen met de brandweer van Veurne, komen toegesneld.
De heilige vaten en gewaden zijn gered. Intussen zet het vernielende element zijn werk verder.
De pastoor Beelprez en de parochianen wenen. De toren, een ogenblik bedreigd, staat pal en steekt daar nu uit als een reusachtige eik in het midden van een neergehakt bos.
De preekstoel, (geschat op 8 fr) werd de prooi der vlammen.  Alleen het beeld van O.L.V. der zeven Weedommen bleef ongedeerd.
Een herinneringseremetaal wordt achteraf aan de bevelhebber van het brandweerkorps van Veurne geschonken naast 60 fr aan zijn brandweerlieden en 15 fr aan deze van Nieuwpoort.
De kerktoren, als monument verklaard door de koninklijke commissie in 1890, is gedagtekend volgens vele oudheidkundigen in de jaren 1400. Het jaar 1647 dat bovenaan de naald te lezen is, geeft de datum weer van de herstellingswerken.
Tot op het einde van de vorige eeuw werden alle notabelen in de kerk begraven.
Ziehier het vroegere tarief :
Als iemand begraven wordt in een van de drie koren, dan profiteer de kerk van het recht der sepulture en bedroeg achtien Pond Parisis.
Een kind jonger dan 14 jaar de helft.
Als iemand begraven wordt in de voorkerk, dan profiteert de kerk van het recht der sepulture en bedroeg twaalf Pond Parisis.
Een kind jonger dan 14 jaar de helft.
Wulpen bezit thans een nieuwe en prachtige kerk, voltooid in 1877 en versierd en opgeschikt door de zorgen van eerwaarde Baeckelandt.
Zijn voorgangers hadden zoveel gedaan, dat het volledig bezit van de kerk 7 fr bedroeg.  Hij spaarde en schooide wat en begon de kerk te versieren.  Dhr Jules Dobbelaere plaatste een venster in het koor met de H.Arnoldus en de H.Franciscus.  Alois Desaever, Wulpenaar en fijne schrijnwerker, bekeek de biechtstoel, tekende hem na en maakte een tweede, even mooi als degene die gediend had als model.  Pastoor Baeckelandt ging eens drinken bij juffrouw Louwagie te Veurne, die lang geboerd had op de hofstede van August Vanhyfte een kreeg daar geld om nog een biechtstoel te maken (2300 fr) en het was ook Alois Desaever die hem vervaardigde. Dhr Dobbelaere vernieuwde ook de bovenste vensters van de kerk. Kort daarop kwam een mooi beeld van de H. Antonius de kerk versieren en later kwam Monseigneur Gustavus Josephus Waffelaert de kerk wijden.
Vergeten wij niet te noemen : het hoofdaltaar, de communiebank, het koor,  het hoogzaal en andere kerksieraden; alsook het fraaie orgel door de heren Loncke, vader en zoon, vervaardigd en plechtig gewijd en ingehuldigd op 21 juli 1891.

1875:  Een brijkerij (steenbakkerij) wordt opgericht door Deetens Piet, koopman te Veurne, op een perceel zaailand van 36 are, tevens het jaar waarin de veldwachter gezien een veroordeling, uit hoofde van medeplichtigheid aan overspel, verplicht is zijn wapens af te geven. Waarna hij voorlopig vervangen wordt door een dagloner.   Rooms Louis wordt in 1879 als nieuwe veldwachter aangesteld, 37 jaar heeft hij zich altijd doen onderscheiden door een voorbeeldig en vreedzaam gedrag. Hij kan lezen en schrijven en rekenen; zijn lichaamsgestel is sterk en hij is in staat om de vermoeinissen van de dienst te doorstaan.

1879:  Een ‘reglement ter voorkoming en blussing van brand’ wettelijk van kracht.

1880: Op 26 augustus werd toestemming verleend tot het oprichten van een broodbakkeij door de gebroeders Vandenberghe, bij de keiweg Veurne-Nieuwpoort, nabij de wegel die leid naar de St.-Willibrorduskapel.

1885: Het gemeentebestuur dringt er op aan bij de buurtspoorwegen om opgenomen te worden in het ontwerp der buurspoorlijn Oostende-Nieuwpoort-Veurne; de verbinding tussen Nieuwpoort en Veurne kan met even gemak en groter nut langs de drie gemeenten van Wulpen, Oostduinkerke en Koksijde verwezelijkt worden.

1886: Gezien de slechte toestand van de pastorie dringt zich het bouwen van een nieuwe op.

1890: De oude pastorie was reeds buiten gebruik en vervangen door een nieuwe. Het oude gebouw werd verkocht voor 4800 fr, waarmee vele schulden konden worden afgelost.

1894: De gemeentschool heeft gemiddeld 50 à 60 leerlingen en de hulponderwijzer wordt overtollig geacht, zodat zijn plaats wordt afgeschaft.  Alle meisjes bezoeken nu de meisjesschool waar drie onderwijzeressen instaan voor het onderricht.
Hoofdonderwijzer J.B. van Marcke, 61 jaar, neemt ontslag na 30 jaar dienst, hij wordt opgevolg door Germain Van Marcke.

1900: er waren vier steenbakkerijen:

1. Daniel De Haene, wijk Geushoek, naderhand overgenomen door Leon Van Hove tot 1914 en dan gedeeltelijk vernield door de oorlog, naderhand heropgebouwd door Edmond Caillau, steenbakker te Veurne, op het eind van de maand mei 1940 vernietigt en niet meer heropgebouwd.
2. Jos Bieswal te Brussel, wijk Geushoek, uitgebaat tot in 1914 en daarna niet meer voortgezet bij gebrek aan grond.
3. Daeten en Dierick op de Conterdijk, werd uitgebaat tot 1902 of 1903 en daarna stopgezet door grondgebrek.
4. Isidoor Florizoone te Oostduinkerke op de Steendam, in de wijk Allaertshuizen. In 1900 aangelegd en voorgezet tot 1914, volledig vernield door de oorlog en naderhand in 1919 terug opgebouwd en uitgebaat tot in 1940, totaal uitgebrand en niet meer heropgebouwd.
Na de oorlog 1914-1918 werd een tweede steenbakkerij opgericht nabij de steendam, die gedurende enkele jaren uitgebaat werd tot na de heropbouw in 1923-1924.

1902: Er wordt gewag gemaakt van een burgerwacht. Kapitein is brouwer Karel Florizoone, luitenant landbouwer Jules Vanneste en onderluitenant brouwer Oscar faict. In 1914 zijn dit respectievelijk handelaar Alidoor Florizoone, landbouwer Emiel Van Hyfte en bakker Honoré Demolder.

1904: Op 27 juni werd de boerengilde opgericht.  Dhr Rommelaere was voorzitter en Polydoor Florizoone werd zaakvoerder.

1910:  Het volgende stukje komt uit het Liber Memoralis, door E.H. Barro.
“Op Pinkstermaandag (21 mei ) breekt er over de parochie een onbeschrijfelijk onweer los, het duurt wel twee uur, donderslagen en bliksem, 't houd al aan een, 't was al vier dat men zag, de mensen zitten te bidden in hunne huizen, de stoutste zijn benieuwd en menen alle ogenblikken dat de donder op hun huis ligt. Daarbij giet het water, de straten staan onder.
 't Is of zou de wereld vergaan, vele ongelukken en rampen geschieden.. Bij August Cornelis slaat de donder een zwijn dood, verbrijzeld de helft van het huis. Lombaert staat met zijn voiture voor de deur, hij voert een gevangene naar het kot. Zijn paard  is doodgeslagen. Paul Kuyle heeft drie koeien doodgeslagen. Bij Kamiel Hancke een koe en vijf schapen dood gebliksemd. Jules Vanneste verloor een achttienmaander. Bij Honoré Pieters doorboorde de donder platen voor stovelingen te maken. Honoré en Sissen Radey zaten binnen en zagen een bolle vier over de vloer rollen. Bij burgemeester Franciscus Nollet stak hij de stallingen in brand, alles brandde af, doch geen dieren kwamen om. De burgemeester lag dodelijk ziek en verslechtte, dat hij korte tijd nadien stierf. Hij werd opgevolgd door Dhr Faict.”

1911:  Paus-Pius-X geeft met een nota proprio bevel de kinderen van zeven jaar te communie te laten gaan en verklaart deze onderworpen aan het vijfde gebod.
Dit jaar kende ook zijn uitzonderlijke droge zomer, zodat de mensen meenden dat alles op de weide dood was. Er werden openbare gebeden voorgeschreven om regen te bekomen. De muilplaag kwam alle boerderijen bezoeken. Gevolg dure boter  (4 fr per kilo).

1912:  Terug een vroege en erg droge zomer. Grote partijen land staan er kaal bij. De week voor Pinksterkermis worden er bij August Desaever koeken gebakken. Een vonk vliegt door de schouw en steekt de paardenstal in brand. De schade is beperkt.
Op 16 juni vernietigt een hevige hagelbui het vlas in de Schoudervliet en beschadigt menige andere vruchten.

 1914-1918:  Bij het uitbreken van de oorlog wordt de burgerwacht opgeroepen, Heliodoor Florizoone is kapitein, Emiel Van Hyfte luitenant, Gustaaf Watthy sergeant en Honoré Demolder fourier. Met vijftig man doen zij beurtelings dienst aan de brug. Op 22 augustus verklaren de duitsers dat zij de burgerwacht niet erkennen als regelmatige soldaten, zo wordt de burgerwacht dan maar ontbonden. 26 Wulpenaars strijden aan het front.
De kerk bleef niet gespaard, op dinsdag 28 oktober 1914 werd onder het mom van strategie de toren vernietigd en ook het schip werd beschadigd. Machteloos stond E.H. pastoor Jules Leroy  roerloos toe te zien, als van de hand Gods geslagen.  Het voorste gedeelte van de kerk bleef gespaard en werd afgeschermd zodat de diensten konden doorgaan. Vanaf oktober 1914 werden de scholen gesloten wegens de gevaren waaraan de jeugd blootgesteld was.
Vele jongens en meisjes werden opgenomen in schoolkoloniën van het bevriende Frankrijk, waar ze onderwezen werden door Belgische leraars.
Tot half juni 1917 kon de bevolking in ons dorp zich handhaven, maar van dan af volgden de bombardementen elkaar op en namen steeds in hevigheid toe. De meeste inwoners van Wulpen vluchtten naar Frankrijk, waar ze gemakkelijk konden werk vinden. Eind 1918 werd het laatste offensief ingezet en in november trok koning Albert aan het hoofd van zijn troepen Brussel binnen. Onze dorpsbewoners keerden terug.  Wulpen vertoonde een treurig schouwspel : 32 volledig vernielde huizen, de andere  volledig of licht beschadigd.
Op 1 oktober 1919 heropenden de scholen, aan de jongens van de gemeenteschool werd tijdelijk les gegeven in een houten barak, geschonken door het "Albertfonds" in de tuin van de school, daar het schoolgebouw door bombardementen volledig was vernield.
Daar de luitenant-Generaal Baron Michel bevelhebber van de IV-de legerafdeling in Wulpen was gebleven, werd het plan opgevat een gedenkteken op te richten ter nagedachtenis van de gesneuvelden van dit legerkorps.
Onmiddellijk na de gevechten werd de bouw aangevangen, naar een ontwerp van architect Georges Hendrickx, gewezen korporaal bij de 10e genietroepen.  Beeldhouwer was Louis Jacqmotte, gewezen soldaat bij het 18e linieregiment.
Op 11 juli 1920 werd het monument ingehuldigd door koning Albert-I.
Het volgende lied werd gezongen, bij de inhuldiging van het monument, door de leerlingen van de Zusterschool Wulpen samen met Romanie Vandenbussche, Alice Marrannes, Rachel Rabaey en Zoë DeRuytter. Melodie naar Wijd en Zijd (liederenkrans blz 170).

Wij staan geschaard,
Op stille dode veld,
Om ons hulden te bieden.
Zij bleven pal
Voor snods barbaars geweld,
En hun vorst mocht hun stervend gebieden,
Nood geen vrees nog geen klacht,
In het heetst van de dood,
Maar veel liever de dood,
Dan als slaven geknecht.

Refrein :
Eere zij u vroome bevrijders,
Vrij in ons land,uwer steeds weer,
Bewaaren u erfdeel,
O strijders taal en eer.
't Enkel recht, dat door de tijden heen.
De geslachten hun offers herdenken,
dat bij dit zerk ons sterken door verleent.
Wij trouw volgen hun eerlijke wenken.
Dat lijk zij tot ter dood onzer plichten gestand.
Wij betrachten de grootheid,
Van volk en van land.
Zo word de vrucht van bloedigen helden dood?
Niet geknacht bij haar teder ontkiemen,
Maar België rijst uit de puinhoop;
Zielen nood en blijft mij needigend,
Schand vlekken vliemen.
Ligt hun lijk nu in 't graf in ons leven toch voort,
Hunne deugden en roem,
Jaar bij jaar ongestoord.

Tot in 1947 - de oorlogsjaren uitgezonderd- werd op een zondag in augustus hulde gebracht aan de gesneuvelden van de IV-de legerafdeling.

N.B.
Op het dorpsplein te Wulpen werd een gedenksteen opgericht ter ere van Pastoor Leroy. Hij  was een merkwaardige figuur. Struis gebouwd, vriendelijk in de omhang en met een hart van koekebrood. In 1910 werd hij  pastoor van Wulpen benoemd. In het parochiearchief vind men zijn "liber memorialis" waarin hij nauwgezet de gebeurtenissen noteerde tijdens zijn jarenlang verblijf te Wulpen. Vooral de wrange oorlogsjaren 1914-1918
kregen uitgebreide aandacht. Bij de eeuwwisseling kwam ook zijn typisch Vlaams karakter op de voorgrond en was hij een ware leider voor de jongeren in het verzet tegen de verfransing van onze kontreien.  E.H. Leroy was naast een luimige schrijver, die  zijn werken ondertekende onder de schuilnaam “Leutegemnaar”, ook een pittig verteller.
Hij overleed te Veurne op 16 november 1933. De gedenksteen werd op het dorpsplein  onthuld in 1983.

1921: Terug  een droge zomer, de boter gaat 17 à 18 fr , de aardappelen 35 tot 40 fr per kilo, eieren 60 fr stuk en het vlees 10 to 12 fr. Is dit niet  vreselijk? Nochtans feesten de mensen, gaan gekleed in zotte kostuums, rokken tot aan de knieën, blote hals en borst.  De mensen gooien hun geld weg, niets is te duur of te schoon.
De periode juist na de eerste wereloorlog  werd gekenmerkt door maatschappelijke welvaart en vooruitgang voor alle standen van onze bevolking. Daarna de crisisjaren onmiddellijk gevolgd door een heropflakkeing van onze economie en als slotfase een tweede wereldoorlog.

1940: Volgend relaas komt uit het Libes Memoralis en werd neergeschreven door Pastoor Van Der Straeten :
De Franse en Engelse soldaten komen toe. De Franse soldaten zetten 12 kanonnen (21ers) vertrekkende aan de kapel René Vanhyfte tot aan de hoeve van Georges Bots. De Engelse bezetten de vaart langs Oostduinkerke. Op dinsdag 28 mei 1940 doen ze de brug springen en vier hoekhuizen aan weerszijden liggen in puin. Een noodbrug wordt onmiddellijk aangelegd door de Duitsers. s' Anderendaags moesten we vertrekken met pak en zak. Ik ging naar Wed. Goens Aug. langs de Zwaluwstraat. s' Namiddags begon de grote slag. De Engelsen mitrailleerden dat het kogels regende en schoten van St.-Idesbaldus met licht geschut. De Fransen vertrokkken met hun kanonnen richting Veurne. De Engelse soldaten hielden stand tot vrijdag-nacht toen al hun volk was ingescheept. De Duitsers verloren vele mannen in het oversteken van de vaart. Ze werden gekwetst of dood in vrachtwagens weggevoerd. Toen ik terugkwam op zondag: 12 obussen op de pastorie en 25 op de kerk en toren. t' Was erbarmelijk.  De voorgevel van de pastorie was kapot en ramen en deuren waren doorzeeft met kogels.
‘k Begon zelf te kuisen, verhuisde de meubels en trok mijn plan. Ik bracht terrepapier voor de vensters aan  en herstelde het dak met oude pannen, zo woonde ik hier tot maart 1941. Op de Dijk ware 2 huizen afgebrand. Er vielen 2 burgerlijke slachtoffers.
Tijdens deze oorlog wemelde ons dorp van sukkelaars  (die in scholen, huizen, schuren of stallen onderdak zochten). Ons leger moest wijken voor de vijandelijke overmacht. De Engelse en Franse troepen waren op de terugtocht. Het Belgisch leger capituleerde.
Woensdag 29, donderdag 30 en vrijdag 31 mei 1940 had Wulpen het erg te verduren. Velen vluchten naar het binnenland, anderen vluchtten in de kelder of schuilplaats. Treurig bilan: 3 Wulpenaars en 8 vluchtelingen gedood, 3 huizen op de Dijk en 1 hoeve in de Geushoek uitgebrand, vele huizen de scholen beschadigd. Daarna volgde vier jaren van bezetting. In september 1944 lieten de Duitsers de brug terug springen, samen met de duikers langs de Oude Zeedijkstraat en de Booitshoekestraat.
In de maand februari 1944 werden de lage velden (‘t Blote) in de oostelijke hoek van ons dorp onder water gezet. Vele inwoners moesten noodgedwongen verhuizen, meestal werden zij opgenomen door medeburgers. In de lente van dat jaar vatte de firma "PIT en STAKE" haar nutteloos werk aan. Op 18 mei werden onze twee grootste klokken uit de toren gehaald om ingeleverd te worden. Op 8 september werd Wulpen bevrijd.

1942: Uit onze jeugd herinneren we de Siberische winter. De sneeuw bereikte een hoogte van 60 à 70 cm en we gingen naar school met onze “gallochen” (lederen schoenen met houten zolen, beslagen met “tatsen” (spijkers). De zee bevroor tot aan de horizon, de getijden wierpen de ijsschotsen op een spectaculaire manier op elkaar, zodat het uitzicht elke dag veranderde en vormde zo spelonken en kastelen van ijs.Van die jaren hebben we geen foto’s gevonden, enkel herinneringen.

1945: De openbare bibliotheek wordt opgericht onder de naam “Sint-Willibrord”.  In haar zitting van 14 november nam de gemeenteraad de openbare boekerij aan en verleende haar een jaarlijkse toelage van 1 frank per inwoner.

1950:  Er wordt een vuilnisdienst opgericht, de stortplaats is een perseel grond waar voorheen kleiaarde werd gedolven en dit bij de landbouwuitbating van Valère Bentein langs de staatsbaan Wulpen-Veurne.  Een afhalingsronde per veertien dagen wordt voorzien op zaterdagvoormiddag voor het Dorpsplein, Dijk, Conterdijk, Nnieuwstraat en Warrande.  Julien Florizoone kwijt zich met paard en kar van deze taak voor 5000 fr per jaar.

1951:
Oppervlakte : 1200 ha
Aantal inwoners van de gemeente :
1900 : 941
1910 : 979
1920 : 991
1930 : 998
1947 : 783
1951 : 775

1959:  Na de tweede wereldoorlog moesten wij wachten tot 14 juni 1959 vooraleer er 2 nieuwe klokken kwamen in de toren.   Ze werden gewijd door E.H. Pastoor Willems en op de klokken stond volgende tekst geschreven :

                                 Grote Klok 800 Kg

                                  In het jaar O.H.J.C. 1959
                                  op 14 juni werd ik
                                  te Wulpen door Z.E.H. Kanunnik Alberic Vandenberghe
                                  pastoor-deken van Veurne, gewijd.
                                  Als patroon werd mij gegeven de H. Willibrordus, tot
                                  bescherming van kerk en dorp.

                                   Peter : Heer Willy Vandenberghe-Depotter, burgemeester
                                   Meter : Mevrouw Godelieve Florizoone, echtgenote
                                                 van Heer Remi Boomgaert, gemeentesecretaris.
                                   Pastoor : August Willems

                                   Middenklok 540 Kg

                                    In het jaar O.H.J.C. 1959 op 14 juni werd ik
                                  te Wulpen door Z.E.H. Kanunnik Alberic Vandenberghe
                                  pastoor-deken van Veurne, gewijd.
                                  Als patrones werd mij gegeven de Heilige Maagd Maria
                                  tot bijstand en behoudenis van ons volk
                                 Peter René Van Hyfte-Florizoone, voorzitter der kerkfabriek.
                                 Meter : Mevrouw Alice Goderis, echtgenote van André Warreyn,
                                               schatbewaarder der kerkfabriek
                                 Pastoor : August Willems

1961: Van in de vroege morgen van 3 september kende het anders zo rustige dorpje Wulpen een ongekende bedrijvigheid.  Een kille mist kon de inwoners niet tegenhouden de laatste schikkingen te treffen om de huizen en gevels een feestelijk uitzicht te geven.  Opschriften en vlaggen, wimpels en versieringen verschenen aan alle kanten. Niemand wenste achter te blijven en allen schenen bezield om ook daarmee het gure weer te verdrijven.
Na de middag brak de zon gelukkig door de mist en een loden hitte viel op de bezoekers die de verplaatsing gemaakt hadden. Op het gewichtig uur kondigden de klokken onder feestgelui de aankomst van de nieuwe herder aan op de grens der gemeente.
Z.E.H. Hautekiet, vergezeld van deken Vandenberghe en zijn twee getuigen (Z.E.H. Verhaege, deken te Ieper en Z.E.H. Lefevere, bestuurder van het H.Hart instituut te Ieper), werden er verwelkomd door burgemeester Vandenberghe, schepenen Wouters en Volder, gemeenteraadsleden en de leden van de kerkraad.  Z.E.H. pastoor mocht dan uit de handen van de jonge heer Luc Vandenberghe de herdersstaf in ontvangst nemen. Hij droeg hierbij het volgende gedicht voor :
Achtbare  Herder.
Om uw kudde te geleiden.
In des Heren vrije weiden
Heeft U d'Herderlijke staf
Zie toch hoe van stonde af.
Al uw schapen trouw zich scharen
Rond de herder en verklaren
In een algemeen akkoord
Steeds te luisteren naar het woord
Van hem die hem moet bestieren
En wiens huldiging wij vieren
Ga ons, herder, ga ons voor
En wij volgen trouw uw spoor
Wil God met zijn genaden
Kudde en herder overladen
't is de bee, de wens bevat
In mijn blij proficiat.

Namens de kerkraad werd door dhr. Vanhyfte, (voorzitter) eveneens een welkomswoord uitgesproken.
Nadien volgde een stoet en de dag eindigde met een receptie in de zusterschool.   Wulpen beleefde weer één van zijn schone dagen.

De Kanaalbrug te Wulpen.  Sinds enkele tijd doen allerlei praatjes de ronde in verband met de opmetingen die gedaan worden doorheen de landerijen tussen het dorp Oostduinkerke en de Wulpenvaart langsheen de Koningstraat. De betrokken landbouwers zijn er natuurlijk niet over te spreken, daar ze al in het vooruitzicht gesteld worden  dat ze zoveel goede poldergrond zouden  onteigend worden.  Hoever staan de zaken eigenlijk ?
Feit is dat er te Wulpen een nieuwe brug komt.  Reeds tot tweemaal toe werd de oude noodbrug die er sinds 1940 ligt, hersteld. Gezien het toenemend verkeer, zowel in het najaar voor de boeren die naar Veurne gaan, als ‘s zomers voor vreemdelingen uit het zuiden en Frankrijk is een betere brug met ten minste dubbel rijvak noodzakelijk geworden.
Daarom heeft   “bruggen en wegen” beslist geen herstellingen meer te doen, maar onmiddellijk over te gaan tot het bouwen  van een nieuwe brug van grotere omvang. Daar er ook enstig sprake is om de grote snelweg van Calais naar Oostende binnenkort aan te leggen, moet een afrit voorzien worden voor de Westkust.  Daarom heeft de overheid beslist dat de nieuwe brug zal aangelegd worden  buiten de bebouwde kom aan de Dijk te Wulpen.

1962-63: Terug een Siberische winter. Het begon te vriezen ‘s zaterdags voor Kerstmis, in de namiddag tussen drie en vier uur (‘s morgens regende het nog). De maandag daarop was de scheepvaart reeds geblokkeerd en het duurde tot half maart 1963.
Hiervan hebben we wel enkele foto’s terug gevonden. De zee die overdekt was met ijsschollen, zover het oog reiken kon. Prachtig maar zeer koud, want het zeewater moest bestendig -4° C zijn, voor het zeewater bevriest.
U vindt ook enkele beelden terug van een ijsbreker die de vaart poogde open te breken in de eerste week van maart ‘63, om de schepen (nodig voor de noodzakelijke bevoorrading), te begeleiden op onze binnenwateren.
De ijsbreker, (een zware, met stenen beladen, boot) werd getrokken door twee vrachtwagens, die trokken vanop de beide oevers.
De volgende dag was de vaart terug dichtgevroren en was er weer geen scheepvaart mogelijk.

1964: De nieuwe brug over het kanaal Nieuwpoort-Veurne in aanbouw.
Sedert het begin van 1964 is de nieuwe brug in aanbouw. Even buiten Wulpen ziet men reeds de twee hoofdpijlers opschieten.  Deze rusten op palen die tot 8 meter in de grond geheid zijn. Ze staan op 23m afstand van elkaar. Weldra zal nu een aanvang gemaakt worden met het aanleggen van de landhoofden.  In totaal zullen deze samen 3000 m³ beton bevatten en 175 ton betonijzer.

1965: Op het grondgebied van de gemeente Wulpen komt eerstdaags een prachtige nieuwe brug klaar over het kanaal Nieuwpoort-Veurne. Deze brug zal uiterst welkom zijn... indien ze kon gebruikt worden. Doch er blijkt een vergetelheid in het spel te zijn, want de noodzakelijke wegen konden niet aangelegd worden en er zijn zelfs geen kredieten voorzien op de staatsbegroting van 1966 om een weg over deze mooie brug aan te leggen. Dus zal het verkeer alleen onder de brug kunnen rijden. De brug kostte 20 miljoen en staat nu te pronken over het kanaal. Van enig nut is ze zeker niet tijdens de komende jaren. Het smalle houten brugje, een eind verder, zal het verkeer moeten opvangen. Heeft de ene dienst nu te snel gewerkt of de andere te traag ?

1967: Wulpendijk ten dode gedoemd !
Toen de Duitsers in de jaren veertig deze ophaalbrug optimmerden dacht iedereen, dat ze wellicht door een nieuwe draaibrug zou vervangen worden. Niets kwam daarvan in huis. Jaren gingen voorbij en de oude plaats waar vroeger de draaibrug gelegen was bleef onbenut. Alleen de betonnen steunders langs beide zijden van het kanaal bleven staan. En toch, in het jaar 1960, kwam een plan tot stand en een nieuwe brug over het kanaal werd voorzien, die twee jaar nadien reeds voltooid werd. Deze brug bevind zich op 300 m van de oude en is voorzien als startpunt voor een snelweg naar Kortrijk. Begin seizoen 1967 werd dan ook de laatste hand gelegd aan de voltooing der opritten. Een mooie verbetering zou men zeggen, doch niet voor de inwoners van Wulpen, voor hen is dit een groot probleem. Langsheen de oude baan Nieuwpoort-Veurne ligt het verkeer volledig lam. De cafés en winkels zijn de grote verliezers (geen verkeer, geen verteer). Maar dit is nog niet alles. Bij de bewoners hangt steeds de onzekerheid boven het hoofd : verdwijnt de oude brug en wordt de Conterdijk afgesneden van de rest van de gemeente?

1970: De fusiegolf van de zeventiger jaren voltrok zich in twee fasen. Het samengaan met Oostduinkerke in 1970 was in feite de officiële bevestiging van de nauwe relaties die in het verleden reeds spontaan gegroeid waren. Oostduinkerke was enerzijds een belangrijke afzetmarkt voor de agrarische produkten van de Wulpense poldergrond, terwijl er anderzijds heel wat inwoners van Wulpen in de toeristische sector van Oostduinkerke tewerkgesteld waren. Sinds 1976 vormen ze beiden samen met Koksijde een nieuwe administratieve eenheid.
De laatste gemeentraadszitting van het schepencollege en de gemeentraad grijpt plaats op 28 februari 1970.
Wulpen was dan 1237 ha groot en telde nog 670 inwoners.